Algemeen
Wat is een Bedrijven Investeringszone (BIZ)?
Een BIZ maakt het mogelijk voor ondernemers om gezamenlijk te investeren in de kwaliteit van hun bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen.
Een BIZ is een afgebakend gebied, waarbinnen ondernemers gezamenlijk investeren in de kwaliteit van hun bedrijfsomgeving. De activiteiten van een BIZ zijn aanvullend op die van de gemeente. De activiteiten zijn dus extra, boven de diensten die de gemeente levert.Bij voldoende draagvlak betalen alle ondernemers mee. De gemeente stelt hiervoor een heffing in en keert de opbrengst van de heffing uit aan de vereniging of stichting die de activiteiten namens de ondernemers uitvoert.
BIZ wordt in het buitenland (VS, VK, Duitsland) al succesvol toegepast onder de naam Business Improvement Districts (BID). Met de experimentenwet BIZ zijn in Nederland gedurende een aantal jaren experimenten mogelijk.
Meer lezen over de BIZ
Wat is het verschil tussen BIZ en andere ondernemersfondsen zoals “het Leidse model” en reclamebelasting?
Het kenmerkende verschil tussen BIZ en andere ondernemersfondsen zoals het Leidse model en reclamebelasting is dat een BIZ een aparte gebiedsgerichte heffing betreft die op initiatief van ondernemers tot stand kan komen als aan de draagvlakvereisten is voldaan. De BIZ-bijdrage is gekoppeld aan de WOZ-systematiek waarbij ‘de gebruikers van niet-woningen’ in de heffing worden betrokken. In Leiden wordt gewerkt met een algehele opslag op de OZB voor de gehele gemeente, waarbij de opbrengst wordt (her)verdeeld naar de diverse gebieden en waarbij ondernemers centraal plannen in kunnen dienen voor de besteding van deze middelen. Ingeval van reclamebelasting worden ondernemers met uitstallingen of reclame-uitingen in een bepaald gebied in de heffing betrokken.
Meer lezen
Stap 1: plan
Hoe komt een BIZ tot stand?
Het proces om een BIZ tot stand te brengen kan onderverdeeld worden in een informele fase en een formele fase.
In de informele fase vindt er overleg plaats tussen de ondernemers onderling en tussen de ondernemers en de gemeente over onder meer de beoogde BI-zone (dus het af te bakenen gebied), de activiteiten, de benodigde middelen en de organisatie en uitvoering. De initiatiefnemende ondernemers richten een vereniging of stichting op die de activiteiten in de BIZ uit zal voeren.
In de formele fase worden de uitkomsten van het overleg omgezet in een overeenkomst (tussen vereniging/stichting en gemeente) en een verordening. In de verordening staat genoemd welk gebied het betreft, welke activiteiten, welke ondernemers bijdrageplichtig zijn, wat de hoogte is van de BIZ-heffing, wat de naam is van de vereniging/stichting die de activiteiten uitvoert. De verordening dient te worden vastgesteld door de gemeenteraad en treedt alleen in werking als uit een draagvlakmeting blijkt dat er sprake is van voldoende draagvlak onder de ondernemers in de beoogde BIZ.
De vereniging/stichting zorgt voor de uitvoering van de afgesproken activiteiten en zorgt voor een jaarlijkse verantwoording hierover aan de gemeente en alle ondernemers in het gebied.
Voor welke doelstellingen kan een BIZ worden opgericht?
- In de wet (zie art. 1, tweede lid) is bepaald dat de BIZ-bijdrage bestemd is voor de financiering van kosten die verbonden zijn aan activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de zone.
- Indien de activiteiten niet gericht zijn op leefbaarheid, veiligheid of ruimtelijke kwaliteit moet er dus altijd een ander publiek belang aanwijsbaar zijn. De wet laat open welke belangen dat kunnen zijn. Hierdoor is het aan de gemeenteraad – die een verordening binnen de grenzen van de wet moet vaststellen – om door en bij gelegenheid van die vaststelling te bepalen of een bepaalde activiteit ook voldoende een publiek belang in de zone dient.
- Hoewel de gemeenteraad hier dus de vrijheid heeft de nodige afwegingen te maken volgt er wel een aantal beperkingen uit de wet:
- activiteiten die uitsluitend het gezamenlijke belang van de ondernemers in het gebied dienen omdat geen enkel ruimer publiek belang aanwijsbaar is kunnen niet uit de heffing worden gefinancierd;
- het gaat om een publieke belang in de openbare ruimte van de zone: eventuele inpandige activiteiten moeten dus een rechtstreekse relatie hebben met een belang ‘buiten’. Ook moeten eventuele activiteiten buiten de zone een rechtstreekse relatie hebben met een publiek belang in de zone.
Naar verwachting zal het in de praktijk met name om ´schoon, heel en veilig´ gaan. Te denken valt aan activiteiten als het verbeteren van de verkeersvoorzieningen, bewegwijzering, groenvoorziening, afvalinzameling, verlichting, schoonmaak, onderhoud, brandveiligheid, graffitiverwijdering en het vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld extra surveillance, hekwerken en camerabewaking.
Kan promotiebeleid er ook onder vallen?
Om dit te kunnen bepalen is het nodig om te beoordelen hoe de concrete activiteiten die in het kader van de promotie voorzien worden zich verhouden tot een bepaald publiek belang in de openbare ruimte van de zone, zoals bedoeld in art 1, tweede lid van de wet. Activiteiten waarvan duidelijk is dat alleen een (commercieel) belang van de ondernemers gediend wordt kunnen immers niet uit de heffing worden betaald. Het is uiteindelijk aan de gemeenteraad om de verordening zodanig vast te stellen dat het verband met het publieke belang aanwijsbaar is en de verordening voldoet aan de wettelijke eis. Door in zijn algemeenheid van ‘mede publiek belang’ te spreken laat de wet de gemeenteraad ruime in rechte te respecteren vrijheid om te beoordelen wat het publiek belang in het voorliggende geval vraagt en of de activiteit in kwestie dat belang ook dient.
Het voordeel dat de wet de gemeenten en ondernemers de nodige ruimte op dit punt laat heeft als inherent nadeel dat twijfel mogelijk is of een bepaalde activiteit toelaatbaar is of niet. Bij twijfel verdient het aanbeveling:
- het verband tussen activiteit en publiek belang expliciet te benoemen;
- zorgvuldig te bezien of het verband daartussen redelijkerwijs voldoende aanwezig is, en
- de motivering dat dit het geval is in een openbaar en goed kenbaar stuk op te nemen.
Naarmate het verband tussen een bepaalde activiteit en het daarmee gediende publieke belang minder duidelijk is, zullen belanghebbenden immers eerder geneigd zijn de geldigheid van de verordening op dit punt te betwisten.
Naast de directe kosten van de activiteiten zelf kunnen overigens ook de kosten voor uitvoering en organisatie van de activiteiten uit de heffing worden gedekt. Het gaat dan om kosten die door de vereniging of stichting gemaakt moeten worden om de activiteiten goed uit te kunnen voeren. De vereniging of stichting legt hierover jaarlijks verantwoording af. Denkbaar is dat bepaalde vormen van promotie / communicatie hieronder vallen. Promotie is dan echter niet een zelfstandig te bekostigen ‘activiteit’ op de begroting maar een bijkomende kostenpost die vanzelfsprekend in verhouding moet staan tot de kosten van de activiteit.
Welke regels gelden er precies met betrekking tot het afgebakende gebied? Kan er bijvoorbeeld per kavel afgebakend worden?
In principe kunnen de (initiatiefnemende) ondernemers zelf aangeven om welk gebied het gaat. Er zijn geen eisen t.a.v. de minimale of maximale grootte. Een BIZ dient wel een logisch samenhangend gebied te zijn (geen gatenkaas). In de regel zal het gaan om bijvoorbeeld een winkelgebied of bedrijventerrein, maar het kan ook gaan om een bepaalde straat of een deel van een bedrijventerrein. Als het maar een logisch en samenhangend geheel is, de relatie met de activiteiten is in dat kader uiteraard erg van belang. Het dient helder te zijn welke ondernemers binnen het gebied vallen en welke niet en waarom. Dit dient uit de verordening te blijken (zie stap 5).
Stap 2: overleg gemeente
Op welke wijze kan de gemeente zo efficiënt mogelijk omgaan met de diverse BI-zones binnen haar grondgebied?
Efficiency zou je kunnen bereiken door eerst een algemene discussie in de gemeenteraad te voeren, bijvoorbeeld over het instrument zelf en de rol die de gemeente kan spelen.
Hierbij kan worden gedacht aan:
- ondersteuning voor het organiseren van het bedrijfsleven door bijvoorbeeld vooraf subsidies te verlenen,
- het innemen van een standpunt over verlenen van subsidies in het algemeen (bijvoorbeeld per BIZ stelt de gemeente 5000,- ter beschikking of een maximaal een x-percentage van de geldbehoefte van een BIZ),
- de inrichting, gevolgen van een servicelevel agremeent (sla) .
Voorstellen tot concrete BIZ kunnen dan nagenoeg bij wijze van hamerstuk in de gemeenteraad behandeld worden.
Het kan ook gunstig zijn als de gemeenteraad kaders vaststelt: zowel de ondernemers als de gemeente hebben dan vooraf al duidelijkheid over het algemene standpunt van de gemeente.
Verder kan de gemeente de aanvraagprocedure voor de subsidie vereenvoudigen door deze op te nemen in de overeenkomst en de procedure niet apart in de verordening te regelen (zie modelverordening).
Stap 3: oprichten stichting / vereniging
Mag een BIZ ook worden opgericht en uitgevoerd door een bestaande organisatie (bv. een stichting parkmanagement of een winkeliersvereniging)?
De activiteiten dienen uitgevoerd te worden door een vereniging of stichting (zie art. 6) die uitsluitend ten dienste van de BIZ opereert. Het bestuur van de vereniging dient voor minimaal 2/3 uit ondernemers uit de BIZ te bestaan.
De vereniging/stichting dient jaarlijks verantwoording af te leggen aan de bijdrageplichtige ondernemers in het gebied en dient hiertoe jaarlijks een begroting/jaarverslag vast te stellen.
Een bestaande vereniging/stichting die iets wil met BIZ heeft de keus om de statuten te wijzigen of om een nieuwe vereniging / stichting op te richten voor de uitvoering van de BIZ-activiteiten.
Wat wordt er in artikel 7, tweede lid bedoeld met ‘bijdrageplichtigen’?
- De interpretatie van dit artikel is in eerste instantie aan de gemeenteraad; zij bepaalt bij opneming van de stichting in de verordening of deze voldoet aan de wettelijke eisen.
- Bijdrageplichtigen zijn gedefinieerd als de “gebruikers van niet-woningen”, dit kunnen natuurlijke personen zijn (de betreffende ondernemers die daar hun bedrijf gevestigd hebben) of rechtspersonen (bijv. een B.V. of een N.V.).
- Indien bijdrageplichtige samenvalt met een natuurlijke persoon is helder dat die natuurlijke persoon meetelt voor de tweederde eis.
- Indien de bijdrageplichtige een rechtspersoon is rijst een interpretatievraag. Uit de MvT is af te leiden dat de achtergrond van de tweederde eis is te zorgen voor een voldoende representatief bestuur door een zekere binding tussen een deel van de bestuurders en de zone voor te schrijven. Het meetellen van een bestuurder van een bijdrageplichtige rechtspersoon voor het voldoen aan de tweederde eis is zo bezien in lijn met (de geest van) de wet is en lijkt daarmee een houdbare interpretatie van de wet. Voor werknemers van de rechtspersoon, die in een geheel andere relatie staan tot de bijdrageplichtige rechtspersoon dan de bestuurders, geldt dit naar onze mening niet. Uiteindelijk is het uiteraard aan de rechter om zo nodig de juiste uitleg van de wet te geven.
Kan BIZ voor bestaande winkeliers verplicht gesteld worden? Maakt het uit of je lid van een winkeliersvereniging bent of niet?
Een BIZ is een afgebakend gebied waarbinnen alle daar gevestigde ondernemers meebetalen (formeel gaat het om “de gebruikers van niet-woningen”). Het maakt niet uit of je lid bent van een winkeliersvereniging. Voor een BIZ wordt een aparte vereniging of stichting opgericht (of dienen de statuten van een bestaande vereniging of stichting aangepast te worden).
Stap 4: overeenkomst / aanvraag subsidie
Wat is de hoogte van de BIZ-bijdrage?
Uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de heffing is de begroting van de activiteiten die in de zone plaats dienen te vinden. Aan de hand hiervan kan de hoogte van de heffing worden bepaald waarbij er een aantal opties is:
- in de regel is het tarief gekoppeld aan de WOZ-waarde (zie art. 2, eerste lid van de wet): Hoe hoger de waarde van het pand, des te hoger de bijdrage van de ondernemer. Er kan hierbij ook voor worden gekozen om de WOZ-waarde in klassen in te delen (zie art.2, 2e lid) en/of om de hoogte van het tarief voor verschillende categorieën anders vast te stellen (zie art. 2, derde lid).
- Er kan echter ook gekozen worden voor een voor alle ondernemers gelijk bedrag (zie art. 2, vierde lid). In dat geval telt de WOZ-waarde niet mee in de draagvlakmeting: “one man, one vote” (zie art.5, tweede lid).
De hoogte van de heffing dient in de verordening te worden vastgelegd.
Is tariefdifferentiatie mogelijk?
Tariefdifferentiatie is mogelijk. In de wet is vastgesteld, dat het tarief van de BIZ-bijdrage voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend kan worden vastgesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld de vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak maar ook de branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker een rol spelen.
Kunnen meerdere BI-zones hun middelen samenvoegen als men een gezamenlijk doel heeft?
De wet voorziet niet in het samenvoegen van BI-zones en ook niet in het samenvoegen van middelen. Wel zouden ondernemers uit verschillende zones kunnen beslissen om gezamenlijk één nieuwe zone op te richten. Bovendien is er geen limiet aan het aantal BI-zones, die ondernemers op kunnen richten.
Dat betekent bijvoorbeeld dat ondernemers in een winkelgebied een kleinere BI-zone kunnen oprichten voor het realiseren van hun wensen in de eigen winkelstraat. Terwijl ze tegelijkertijd een BI-zone oprichten voor het hele winkelcentrum voor het realiseren van de wensen van alle ondernemers in het winkelcentrum.
Is het mogelijk om een vast bedrag te heffen en daarnaast nog een x% van de WOZ?
Nee, dat is niet mogelijk. Er zijn 3 opties, zie de twee vragen hierboven.
Als een soort basis in de tariefstructuur gezocht wordt, kan wellicht een met een vast bedrag en opslag vergelijkbaar effect worden bereikt met een indeling in waardeklassen (
zie art. 2, tweede lid) waarbij gekozen wordt voor een relatief grote ‘eerste schijf die dan als het ware het vaste bedrag is.
Tot welk abstractieniveau moeten activiteiten worden vastgelegd?
Dit zal per geval verschillen. Het is een afweging tussen concreetheid en flexibiliteit: voor het draagvlak van de ondernemers is het nodig dat je voldoende concreet maakt wat er met het geld gebeurt, voor de uitvoering door de vereniging of stichting is het nuttig dat enige mate van flexibiliteit aanwezig is.
Bijvoorbeeld: “toegankelijkheid en bereikbaarheid (gedacht wordt aan verbetering bewegwijzering, inzet verkeersregelaars): 190.000 euro”
Tussentijdse besluiten over de precieze invulling kunnen – binnen de kaders van de begroting en het activiteitenplan via de BIZ vereniging of stichting lopen. Het bestuur moet natuurlijk jaarlijks verantwoording afleggen aan de ondernemers en de gemeente.
Kan de gemeente voorschotten geven?
Ja, indien de verordening of de beschikking tot subsidieverlening dit bepalen, zie artikel 4.54 van de Awb. Een voorschot verlenen voordat de aanspraak bestaat (dus voordat vaststaat dat de verordening in werking zal treden) is niet mogelijk omdat er dan nog geen juridische basis is (en is ook niet verstandig).
Stap 5: verordening / beslissing subsidie
Kan de BIZ ook gemeentebreed worden opgelegd als het vereiste percentage van de ondernemers er aan mee doet?
Aan de omvang van een zone zijn geen wettelijke limieten gesteld. Dat betekent dus dat een zone ook de omvang van een gehele gemeente kan hebben. Dit ligt voor een BIZ echter minder voor de hand.
Kan je één verordening maken voor alle bi-zones in de gemeente?
Het verschil met bovenstaande vraag is dat er bij bovenstaande sprake is van één BI-zone, terwijl hier de vraag wordt gesteld of je alle verschillende bi-zones in één verordening op kan nemen.Los van de vraag of het technisch wel mogelijk is, ligt het praktisch gezien niet voor de hand om dit te doen. De experimentenwet gaat immers uit van 1 zone, 1 verordening, 1 draagvlakmeting. Iedere BIZ kent immers zijn eigen specifieke heffing en zijn eigen specifieke activiteiten die in verordening benoemd dienen te worden (hoewel de activiteiten natuurlijk ook dezelfde kunnen zijn). Deze specifieke activiteiten en bijbehorende heffingen moeten in de verordening apart benoemd worden. Ook moet de draagvlakmeting apart in iedere bi-zone uitgevoerd worden.
Kan je een raamverordening maken en verder het instellen van iedere BIZ aan het college overdragen?
Het is niet mogelijk dat de raad een soort algemene raamverordening vaststelt en vervolgens het instellen van iedere concrete BIZ aan het college overdraagt. Omdat hoogstwaarschijnlijk iedere BIZ een ander kostenplaatje, wellicht een ander doel en een andere verdeling van de kosten over de ondernemers kent, is daarmee de heffing per BIZ verschillend. De belastingwetgeving geeft aan dat alleen de gemeenteraad de heffing kan vaststellen.
Welke ondernemers zijn bijdrageplichtig: de huurders of de eigenaren van bedrijfspanden?
In de wet wordt aangesloten bij de WOZ-systematiek waarbij de “gebruikers van niet-woningen” bijdrageplichtig zijn. In de meeste gevallen zijn dat dus de huurders en niet de eigenaren, tenzij de in het pand gevestigde ondernemer het pand zelf in bezit heeft. In de regel zijn vastgoedeigenaren (en particulieren) dus niet verplicht om bij te dragen (al is een vrijwillige bijdrage uiteraard mogelijk).
Er is echter één uitzondering (zie art. 1 lid 4 van de wet): ingeval van een pand dat leeg staat kan de gemeente ervoor kiezen om de eigenaar van dat pand in de heffing te betrekken.
Kan de BIZ-bijdrage ook worden opgelegd aan particulieren die een woning of een deel van een woning verhuren (vakantiewoning) maar niet als bedrijf geregistreerd staan?
Nee. De wet sluit aan bij de systematiek van de WOZ. Als een bedrijf niet geregistreerd staat, wordt het object niet als bedrijf gezien en valt het dus buiten de BIZ.
Indien men bepaalde objecten niet in de heffing wil betrekken, moeten zij dan in een vrijstellingsbepaling worden opgenomen of dient er een nul-tarief in de verordening opgenomen te worden voor deze objecten?
Wij adviseren dit in de tariefstelling te regelen (de modelverordening/toelichting (van mei 2009) is op dit punt aangepast).
Moeten de afgesproken activiteiten in de verordening worden opgenomen? Of is een verwijzing naar de uitvoeringsovereenkomst voldoende of is dit al gebeurd door de uitvoeringsovereenkomst te vermelden in de aanhef op de verordening?
Het is belangrijk dat de activiteiten in één van de officiële stukken –de uitvoeringsovereenkomst of de verordening- benoemd worden. Als de activiteiten al in de uitvoeringsovereenkomst staan, dan hoeven ze echter niet ook nog eens in de verordening opgenomen te worden. De koppeling tussen verordening en uitvoeringsovereenkomst is al gelegd doordat de wet bepaalt dat de overeenkomst er moet zijn en dat die ook gesloten moet zijn als de verordening wordt vastgesteld (de gemeenteraad heeft dus op moment van beslissen inzicht in de precieze afspraken en kan zich vergewissen van de instemming van de vereniging/stichting met aanwijzing in de verordening). Door de verwijzing naar de uitvoeringsovereenkomst in de aanhef van de (model)verordening wordt de koppeling ook formeel zichtbaar en kan geen misverstand ontstaan over om welk document het precies gaat.
Uit de parlementaire stukken maak ik op dat voor het gemak is aangesloten bij de woz-administratie. Betekent dit dat in voorkomende gevallen van deze administratie mag worden afgeweken?
Ons inziens mag dit niet. Aansluiting bij de De WOZ-administratie is niet alleen vanwege het gemak leidend, maar ook van belang omdat de definitie van bijdrageplichtige daarop is gebaseerd en artikel 4, tweede lid van de wet in lijn daarmee uitgaat van gebruik van ‘bij de gemeente bekende gegevens’. Wie bijdrageplichtig is moet dus wel uit die administratie volgen. Omdat deze doorwerkt bij de vaststelling van het benodigde draagvlak is afwijken niet zo maar toegestaan. De gedachte achter de wet is immers dat het formulier voor de draagvlakmeting op hetzelfde adres bezorgd wordt als waar het formulier voor de heffingsaanslag bezorgd wordt. Dit geeft de waarborg dat degene die straks moet betalen ook degene is die destijds het stemformulier gehad heeft. Er bestaat uiteraard geen bezwaar tegen om naast de formele toezending aan het WOZ adres de informatievoorziening bij wijze van service ook breder te richten aan andere adressen. De Raad Nederlandse Detailhandel heeft bijvoorbeeld aangegeven dat de hoofdkantoren van grote ketens er prijs op stellen om ook rechtstreeks geïnformeerd te worden. Het is dan wel zaak hier een duidelijke voor gelijke partijen gelijke lijn in te kiezen als onderdeel van je communicatiebeleid.
Kan je indexatie – bijvoorbeeld aanpassing aan de jaarlijkse inflatie – in de verordening opnemen?
Indexatie kan in de verordening worden opgenomen, er hoeft dan geen jaarlijkse draagvlakmeting plaats te vinden aangezien de draagvlakmeting dan ook ziet op de indexatie.
Stap 6: formele draagvlakmeting
Hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende draagvlak?
De gemeente zorgt voor een draagvlakonderzoek waarbij alle ondernemers in het gebied worden geïnformeerd en schriftelijk in de gelegenheid worden gesteld om zich voor of tegen instelling van de BIZ uit te spreken. Het wetsvoorstel bepaalt nauwkeurig (
zie artikel 5) wanneer voldoende draagvlak aanwezig is, hier worden 3 voorwaarden aan gesteld:
- De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%;
- Minimaal 2/3 van de respondenten is voor instelling van de BIZ;
- De voorstemmers vertegenwoordigen meer WOZ-waarde dan de tegenstemmers. Als gekozen wordt voor een vast bedrag per ondernemer, dan is dit laatste criterium niet van toepassing.
Zie verder paragraaf 7.2.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
Is stemmen via e-mail mogelijk?
Het is mogelijk om stemmen per e-mail mogelijk te maken als extra optie naast een schriftelijke stemming. In de wet staat dat de ondernemers schriftelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich voor of tegen instelling van de BIZ uit te spreken (
zie art.4, derde lid). Dit is de minimumeis. Het is daarnaast mogelijk om ook stemmen via e-mail (of op andere wijze) mogelijk te maken. De gemeente dient er dan wel voor te zorgen dat de ondernemers in vertrouwelijkheid hun stem uit kunnen brengen (
zie art. 4, vierde lid). Ondernemers krijgen in dat geval dus de keuze om te stemmen via het opsturen van een ingevuld formulier of via e-mail (of op andere wijze).
Aan stemmen via e-mail zitten de voordelen dat het laagdrempelig is, wat gunstig kan zijn voor de opkomst. Nadeel is dat niet iedereen e-mail heeft (vandaar dat het ook schriftelijk mogelijk moet zijn) en dat er extra zorgvuldig met het op die manier van stemmen omgegaan moet worden. Zo moet de identiteit van de afzender van de email met zekerheid vast te stellen zijn, bijv. door het in de e-mail over laten nemen van een unieke code, die op het papieren stembiljet staat vermeld (vgl. elektronisch aanvragen).
Van welk peilmoment moet bij de draagvlakmeting worden uitgegaan?
De vraag welk peilmoment bij de draagvlakmeting van belang is wordt beschreven in artikel 4, tweede lid, tweede volzin: de gemeente gaat uit van de actuele bekende gegevens op het moment van uitvoeren van de draagvlakmeting.
Moet de draagvlakmeting volledig anoniem uitgevoerd worden?
Nee. De stembiljetten die de gemeente verstuurt, mogen voorzien zijn van de gegevens van de stemmer. Op deze wijze kan mogelijke fraude door dubbelstemmen etc. voorkomen worden. Wel moet de gemeente vertrouwelijk omgaan met de individuele gegevens en moet zij zich onthouden van bekendmaken van gegevens waaruit afgeleid kan worden of iemand of bepaalde partijen steun hebben uitgesproken of juist niet. Dit kan door bekendmaking te beperken tot opkomst (dit is voor externen van belang om zelf vast te kunnen stellen dat aan de wettelijke criteria voor een geldige draagvlakmeting is voldaan) en de totale uitslag.
Moet artikel 4 en 5 zo uitgelegd worden dat alle bijdrageplichten stemmen, dus ook die waarvan de bijdrage op nul is gezet?
Nee, de wet hanteert een materieel begrip ‘bijdrageplichtige’ d.w.z. cf. het taalgebruik zijn alleen degenen die ook daadwerkelijk verplicht zullen bijdragen ‘bijdrageplichtig’ in de zin van de wet en behoren dus ook alleen zij tot de groep stemgerechtigden. Het oorspronkelijke wetsvoorstel was op dit punt enigszins verwarrend, om die reden is specifiek op dit punt een verduidelijkende nota van wijziging uitgebracht (Kamerstukken II 2008/09, 31 340 nr. 7)
Moet de draagvlakmeting wat procedure betreft aan bepaalde voorwaarden voldoen?
Nee, wat procedure betreft is de draagvlakmeting vormvrij. Er zijn geen wettelijk vastgelegde termijnen etc. Het is daarmee aan de gemeente hoe ze het aan wil pakken. Wel vormt de bescherming van de privacygegevens een belangrijk kader art. 4 lid 4 (en dan in dit geval met name de individuele woz-waarde) en moet de gemeente iedere bijdrageplichtige informeren over de strekking van de verordening (
zie artikel 4 lid 3). Ondernemers moeten voldoende in de gelegenheid zijn gebracht om te weten wat er gaat gebeuren en voldoende tijd hebben om te stemmen. Wat “voldoende” is hangt onder ander af van de omstandigheden, zoals hoe intensief communicatie in voortraject was en dergelijke. Geadviseerd wordt om de ondernemers minstens 2 weken de tijd te geven. In de verordening kunnen hierover regels worden opgenomen.
Moet de uitkomst van een draagvlakmeting middels een b&w besluit worden vastgesteld?
Het is niet verplicht om bij afzonderlijk b&w besluit de uitkomst vast te stellen. In de memorie van toelichting bij de Experimentenwet BI-zones staat hierover: “Het ligt in de rede in de verordening een bepaling op te nemen volgens het model van Aanwijzing 105, tweede lid, onder d. van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving waardoor het college op het geëigende moment een besluit tot inwerkingtreding met een gepaste datum van inwerkingtreding kan nemen (dat is artikel 17 van de modelverordening). De motivering van dit besluit zou dan tevens kunnen dienen als formele vaststelling van de uitslag van de draagvlakmeting.”
Kan het college de uitvoering van de draagvlakmeting mandateren aan bijvoorbeeld de directeur economische zaken in verband met tijdswinst?
In de regel zal een besluit tot inwerkingtreding van de verordening nodig zijn (zie boven) en is een apart besluit tot ‘draagvlakvaststelling’ niet nodig. Voor de feitelijke uitvoering is dan geen mandaat nodig, hooguit mogelijk machtiging om brieven ter uitvoering van art 4, tweede en derde lid, van de wet te ondertekenen. Mogelijk volstaat de bestaande gemeentelijke mandaat, volmacht- en machtigingsregeling hiervoor al, op zichzelf bestaat hier tegen machtiging of mandaat geen bezwaar. Punt van aandacht is mogelijk wel dat zichtbare externe onafhankelijkheid de legitimatie van de vaststelling in belangrijke mate kan vergroten.
Sommige ondernemers hebben hun bedrijf gevestigd in meerdere panden. Deze panden worden afzonderlijk aangeslagen op basis van de WOZ. Mogen deze ondernemers dan twee keer hun stem uitbrengen en hoe telt dan de WOZ mee in de draagvlakmeting?
Ja, uitgangspunt is dat bijdrageplichtigheid en stemgewicht in de draagvlakmeting twee zijden van dezelfde medaille zijn. Dit blijkt ook uit het feit dat de WOZ-administratie leidend is, die gaat immers ook bepalen waar de aanslag terechtkomt zonder dit te corrigeren voor het samenvallen van meerdere aanslagen bij één ondernemer. Eén ondernemer kan -al dan niet via één of meerdere rechtspersonen- meerdere panden hebben en is dan in meerdere hoedanigheden of via meerdere rechtspersonen bijdrageplichtige. Als zodanig kan hij evenzovele uitnodigingen voor de draagvlakmeting en evenzovele aanslagen voor de heffing (in voorkomend geval aan verschillende rechtspersonen gericht) tegemoet zien.
Is er een standaard protocol voor de draagvlakmeting?
Ons lijkt het het meest praktisch om per bijdrageplichtige een stembiljet te sturen met vooraf ingevuld de naw-gegevens op het stembiljet. Op deze wijze is voor de gemeente eenvoudig te controleren wie gestemd heeft en dubbeltellingen te voorkomen. Ook is bij eventueel stemconflict later de telling eenvoudig na te gaan. Als de gemeente vervolgens alleen de einduitslag bekend maakt (en niet de individuele stemmen) is ons inziens aan alles voldaan.
Is de draagvlakmeting éénmalig of dient dit elk jaar te geschieden?
De meting dient eenmalig te geschieden, tenzij ondernemers er in later stadium weer om vragen met het oog op mogelijke vroegtijdige opheffing van de biz (LINK: zie art.6 van de wet).
Stap 7: heffing en subsidie
Valt een BIZ onder Europese aanbestedingsregels?
Een BI vereniging of stichting hoeft normaal gesproken niet aan te besteden omdat het geen publiekrechtelijke instelling is. Pas als een vereniging of stichting een zeer grote opdracht voor een werk geeft (> € 5.150.000 excl. BTW) of een daarmee verband houdende grote opdracht voor dienstverlening geeft (> € 206.000 excl. BTW) zal moeten worden aanbesteed. Dat is dan niet omdat de vereniging of stichting dan publiekrechtelijke instelling is, maar omdat de desbetreffende opdracht in een dergelijk (onwaarschijnlijk) geval dan voor meer dan de helft zal zijn gesubsidieerd uit de BIZ-bijdrage.
Moet over de BIZ-bijdrage BTW worden betaald?
Tijdens de behandeling van de BIZ-wet in de Tweede Kamer is dit punt aan de orde geweest.
Zie de betreffende passage in bijgaande brief aan de Tweede Kamer.
De conclusie is dat het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en ter beoordeling staat aan de belastinginspecteur.
Op welk moment na inwerkingtreding van de verordening kan heffing plaatsvinden?
“In de Experimentenwet wordt aangesloten bij de heffingswijze van de onroerende zaakbelastingen. Net als de onroerende zaakbelastingen is de BI-bijdrage een tijdstipbelasting. Artikel 1, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones zegt: “de BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken”. Dit betekent dat de belastingplicht en de belastingschuld bij het begin van het kalenderjaar (= 1 januari) ontstaan. Om te kunnen heffen moet er voor die datum een rechtsgeldige verordening door de raad zijn vastgesteld.
Het is niet toegestaan een belastingverordening met terugwerkende kracht tot 1 januari vast te stellen. Op het moment dat je nu een verordening vaststelt, dan brengt dat met zich dat je vanaf 1 januari 2010 kunt gaan heffen.”
Het maakt daarbij niet uit of wordt aangesloten bij de WOZ of dat er hoofdelijk wordt omgeslagen.
In sommige gevallen kan er best een groot aantal maanden zitten tussen de inwerkingtreding en de inning. Bijvoorbeeld de verordening treedt in april van een jaar inwerking en de inning kan pas na 1 januari van het volgende jaar plaatsvinden. Het verdient daarom aanbeveling om er in de planning rekening mee te houden dat de verordening idealiter in het najaar in werking kan treden. Om de tijd te overbruggen tussen inwerkingtreding van de verordening en moment van heffen, kan de gemeente overwegen een voorschot te verstrekken. Als de verordening in werking treedt, is immers duidelijk dat het geld in de loop van het jaar binnen zal komen. Ondernemers kunnen dan direct aan de slag. Ondernemers zouden die periode ook kunnen laten voorfinancieren, bijv. door een bank of de gemeente. Nadat de heffing heeft plaatsvonden en de gemeente het geld heeft ontvangen, kan de gemeente het geld aan de vereniging/stichting overdragen.
Hoe is bezwaar en beroep geregeld bij een BIZ?
De Experimentenwet bevat op het punt van bezwaar en beroep geen bijzondere bepalingen. Dat betekent dat het gewone regime van de Algemene wet bestuursrecht (’ Awb’) van toepassing is. In hoofdzaak volgt hieruit dat bezwaar en beroep niet openstaan tegen de verordening waarbij de BI-zone wordt ingesteld of tegen het besluit tot inwerkingtreding van die verordening (art. 8:2 Awb, art. 7:1 Awb), maar wel tegen de beschikking waarbij de heffing concreet wordt opgelegd. De BIZ-bijdrage is geënt op de WOZ en de OZB. De gang van zaken rond bezwaar en beroep zal daarom naar verwachting ook niet wezenlijk hoeven af te wijken van wat op die terreinen reeds gebruikelijk is.
Met het oog op de toekomst. Als binnen onze gemeente 1 BIZ actief is, kunnen dan na verloop van tijd ook andere gebieden opgenomen worden in dezelfde verordening?
In principe wordt er in de BIZ-wet uitgegaan van “1 gebied, 1 verordening, 1 draagvlakmeting”. Het heeft daarom duidelijk de voorkeur voor een nieuw gebied een nieuwe verordening op te stellen en niet met een wijzigingsverordening de bestaande verordening uit te breiden.
Bij het toevoegen van gebieden aan een algemene(re) verordening vraagt art 4, derde lid van de wet (B&W zorgt voor adequate informatie richting ondernemers) in ieder geval extra aandacht: een technische ogende wijziging van een bestaande verordening lijkt op zichzelf niet voldoende om de ondernemers adequaat te informeren en in ieder geval zal de strekking van de bestaande verordening die dan ook in dat nieuwe gebied gaat gelden meegenomen moeten worden in de communicatie. Bedenk daarbij dat wijzigingsbesluiten zeker voor niet-ingevoerden veel moeilijker zelfstandig leesbaar zijn. Sowieso dient ook in het geval van een wijziging van de verordening een hernieuwde draagvlakmeting plaats te vinden.
Als elk jaar het tarief aangepast wordt, moet dat zonder draagvlakmeting of met draagvlakmeting?
Het tarief kan niet achteraf jaarlijks worden aangepast, er is dan immers sprake van nieuwe BIZ. Als vooraf bekend is dat de wens is dat het tarief jaarlijks wordt aangepast (bijvoorbeeld vanwege een grote aanschaf (bewakingscamera’s) in het eerste jaar en dus een hoge heffing nodig is en in de daarop volgende jaren alleen heffing nodig is voor onderhoudscontracten) moet dat vooraf in de biz-verordening worden vastgelegd.
Hoe moet de subsidie worden uitgekeerd, in jaarlijks gelijke termijnen of verschillende termijnen?
Ondernemers en gemeenten zijn vrij om hierover afspraken te maken. Je kan dus afspreken om in de eerste twee jaren activiteiten a en b te doen en in de drie daarop volgende jaren activiteiten c en d. Ook kan je afspreken om in verschillende periodes, verschillende hoeveelheden geld te heffen en uit te keren, afhankelijk van de wensen en de activiteiten.
Essentieel bij dit alles is dat vóóraf de afspraken zijn gemaakt en vastgelegd. Als namelijk eenmaal een biz in werking is getreden, is het wijzigen van onderwerpen/activiteiten in hoofdzaak niet mogelijk, tenzij daarna weer een nieuwe BIZ wordt vastgesteld. Dit heeft alles te maken met de kenbaarheid voor de ondernemers: zij moeten vooraf weten waar ze aan toe zijn.
Is het noodzakelijk dat de BIZ-verordening vóór 1-1-2010 moet zijn vastgesteld door de gemeenteraad om in 2010 een heffing te kunnen opleggen of kan nog begin januari 2010?
Ja, als ondernemers en de gemeente willen dat per 1 januari de heffing moet plaatsvinden, dan dient de verordening vóór 1 januari door de gemeenteraad te zijn vastgesteld.
En de draagvlakmeting? Dient die dan ook voor 1 januari plaats te vinden of kan dat ook later?
De wet BIZ sluit aan bij de ozb-systematiek. Zo geldt voor de ozb dat als per 1 januari van een bepaald jaar wordt geheven, de verordening ozb in ieder geval vóór die eerste januari door de gemeenteraad moet zijn vastgesteld. De verordening hoeft dan nog niet bekendgemaakt of inwerkinggetreden te zijn. Wel is het zo dat zolang de verordening nog niet in werking is getreden er nog geen heffingsaanslagen opgelegd kunnen worden. Wachten met heffen tot 2011 is dus niet nodig als de gemeenteraad inderdaad medio december de verordeningen vaststelt. Omdat de belasting aansluit bij de situatie aan het begin van het jaar is inwerkingtreding zo vroeg mogelijk in het jaar van belang.
Het is van belang een onderscheid te maken tussen de begrippen “inwerkingtreding ” en “ingang van de heffing”. Het tijdstip van ingang van de heffing is een van de essentiële elementen die moeten worden geregeld in de belastingverordening. Dat is echter iets anders dan het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening. De inwerkingtreding van de belastingverordening, is afhankelijk van de bekendmaking (artikel 139 en volgende Gemeentewet) en in het geval van de BIZ ook van de draagvlakmeting.
Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet in de verordening uitdrukkelijk het tijdstip van ingang van de heffing worden aangegeven: met ingang van welk tijdstip wordt de betreffende belasting geheven (of gaat een belastingverhoging werken, dan wel met ingang van welk tijdstip wordt het heffen van een belasting beëindigd).
Vóór inwerkingtreding kan niet tot heffing worden overgegaan. Als de verordening voor 1 januari is vastgesteld kan de heffing wel betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari.
Stap 8: uitvoeren plan
Kan de stichting of vereniging de activiteiten wijzigen gedurende periode van de vijf jaar?
Bepalend is wat er in de BIZ is afgesproken. Zie ook de f.a.q. over abstractieniveau bij stap 4. Om een voorbeeld te noemen: als er is afgesproken dat de veiligheid verbetert dient te worden en dat daar een bepaald budget voor wordt uitgetrokken, dan biedt dat meer flexibiliteit dan dat is afgesproken dat er ‘5 camera’s type x’ dienen te komen. Als wordt afgeweken van wat is afgesproken dan dient de verordening aangepast te worden en dient er een hernieuwde draagvlakmeting plaats te vinden.Verder dient het bestuur jaarlijks verantwoording af te leggen aan de ondernemers in het gebied en de gemeente.
Is toezicht op vereniging/stichting door gemeente verplicht?
De relatie tussen gemeente en BIZ is juridisch gesproken primair een subsidierelatie (art. 7, eerste lid, van de wet). Als gebruikelijk zal gemeente een verantwoording van de besteding van de middelen willen zien. Invulling hiervan is aan de gemeente. Art. 8 van de wet geeft nog een aantal verplichtingen die openbaarheid en transparantie van het financiële reilen en zeilen beogen, met name ook richting de bijdrageplichtigen.
Stap 9: einde BIZ
Kunt u mij meer opheldering geven over de continuering van de wet. Er staat dat er mogelijkheid is tot verlenging, maar dat de wet vervalt in 2015?
Experimenten dienen voor 1 januari 2012 te starten (de verordening dient voor die tijd te zijn vastgesteld). Vervolgens zal voor 1 januari 2013 een evaluatie plaatsvinden en zal politieke besluitvorming plaatsvinden over de voortzetting van de wet en in welke vorm. Experimenten die reeds zijn gestart kunnen ondertussen gewoon doorlopen (eventueel met toepassing van een verlenging van de looptijd door middel van het herhalen van de procedure). Het idee is dat een eventuele definitieve wet naadloos aansluit op deze tijdelijke wet, zodat de lopende succesvolle experimenten ongehinderd voortgezet kunnen worden. Als daarentegen voor 1 juli 2015 niet een wetsvoorstel ter continuering is ingediend vervalt de wet en eindigen de zones.
Stap 10: monitoring en evaluatie
Waarom is er een monitoring en evaluatie?
De wet is een experimentenwet van tijdelijke aard. Aan de hand van de monitoring en evaluatie wordt besloot over een eventuele permanente wet en in welke vorm.
Is meedoen aan monitoring en evaluatie verplicht?
Deels wel en deels niet. Deelname aan de monitoring geschiedt op basis van vrijwilligheid. Het is aan ondernemers en gemeenten zelf om te bepalen of ze hier aan mee willen doen en zodoende invloed uit willen oefenen. In de wet is wel bepaald dat gemeenten verplicht zijn om een afschrift aan EZ te sturen van de officiële stukken (uitvoeringsovereenkomst en heffingsverordening), dat kan naar info@biz-nl.nl. Gemeenten zijns teven verplicht om mee te werken aan de evaluatie, deze zal in de loop van 2012 plaatsvinden.